Treffers 26,351 t/m 26,400 van 27,956
| # | Aantekeningen | Verbonden met |
|---|---|---|
| 26351 | Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. | Hilliard, Richard (I19723)
|
| 26352 | Jacob David overleed wonende aan het Steenschuur. Zijn weduwe woonde daar in 1656 nog steeds volgens de lidmatenlijst van de Remonstrantse gemeente van dat jaar, samen met haar tante Geertje Pieters, oude vrijster55. Zij overleed in een huis bij de Nieuwe brug. Uit i8e-eeuwse extracten is bekend wie tot de genodigden ter begrafenis behoorden van Reynier van den Bange (overl. 1646, zie hieronder), Maria van Outhoeck (overl. 1651), Jacob David (overl. 1655), Ermtje Harmens Douw (overl. 1662), Jan David (1596-1662), Johannes David (overl. 1669), David van Royen (overl. 1671), Aaltje Henneboo (overl. 1671), Jacob Henneboo Pietersz. (overl. 1697) en Emmerentia van den Bange (overl. 1718)56. Zo werden op de begrafenis van Jacob David in 1655 onder meer Philips Janse Douw en Johannes Douw uitgenodigd met de toevoeging 'zijn vrouwen vaders broeders zonen'. Daarnaast was ook Jan Douw Philipsz. uitgenodigd. Enkele jaren later bij de begrafenis van Ermpje Harmens Douw in 1662 waren van de Douwkant uitgenodigd: Philips Jansz. Douw en Jan Janse Douw 'vaders broeders zoonen'; Petrus Douw en Jacobus Douw 'Philips Jansz. zoonen'; Johannes Douw en Floris Douw 'Jan Jans zoonen'. Overige familieleden waren Albert Lucasse van Stevenick, gehuwd met Catharina Douw Philips Jansdr. en notaris Joris Verburg. Het is mij niet geheel duidelijk of Verburg hier als verwant is uitgenodigd, of dat er ook andere banden met de overledene waren. Twee van hun overgrootvaders waren namelijk neven, zodat de verwantschap wel erg ver is. Aan de andere kant, wist Ermpjes oom Jan Pietersz. Douw de familiebanden wel, aangezien hij nog de vader van Joris Verburg vermeldde in zijn familieaantekeningen. | Davidt, Jan Jacobsz (I17758)
|
| 26353 | Jacob genoemd naar zijn overgrootvader Jacob Ghysbrechtszn Besemer geboren aan de Westzijde onder Rijsoord/Ridderkerk, na zijn huwelijk naar Pernis vertrokken, aldaar landbouwer en heemraad/schepen, daarna weer naar Ridderkerk, aldaar landbouwer en hoogheemraad tot 1649 wegens desolatie boedel is hij naar de polder Nw.Bonaventura onder 's-Gravendeel gegaan (Kerstmis 1649) is aldaar weer in goede doen geraakt, komt vele malen voor in transportregisters van Ridderkerk en 's-Gravendeel ook te Dordrecht in het ONA is op hoge leeftijd aldaar getuige en tekent met een krachtige handtekening (1676) Archief Huys ten Donck. mei 1634 4 morgen vijffhondert roeden eygen land leggende in Out-Reyerwaert daer deselve op woonachtig is, streckende van den Dijck aff tot aen de Tientwech belent sijnde aen de Oestwaertse zijde Pieter Bastiaens (zijn schoonvader) ende west Gilles Vinck. Mei 1638, 4 mergen 300 roe leggende in Outreyerwaert achter zijne comparants wooninghe belent wesende aen de oestzijde Pieter Bastiaens (schoonvader) ende west der Gemeenelands Moolenvliet. Eenen mergen eijgen lants bij de hoop zonder maet met de voet te stooten zoo groet ende cleyn derzelver gelegen is in Outreyerwaert in de Geer zijnde tiendvrij streckende noortwestwaerts van de Kerckwegh west op tot aen 't lant van Jan Roelen Smit belent noortwaerts den voorn. verkoper.15.6.1639. 11 okt.1636. Zes mergen lants leggende in Out-Reyerwaert zijnde genaempt de Geer belent wesen aen de Zuidoostzijde Lenert Hendricxsz. in 't Velt, Noortwest Maerchgen Ariensdr. Oostwaert de Kerckwegh, Westwaert Willem de Roomains (kinderen?) Eene mergen vier hont eygen lants leggende onder Out-Reyerwaert in de Geer met alle sijne toebehoren, ten suyden de Kerckwegh ten Noorden de vercoper zelf, ten oosten Jan Roelen Smith, 25 juli 1644. Jacob Arijen Ellerden land in Oud-Reijerwaard belend oosten Cornelis Tonis Sijmons (Cranenburgh).(ARA, ora Ridderkerk inv.nr.10.fol.109v, akte d.d. 13-11-1647). -1651:13 juni; Jacob Arijens Besemer wonende Mookhoek, geeft een schuldbekentenis aan Jacob Wouterse Smit, zijn broer Leendert Ariens Besemer wonende Ridderkerk stelt zich borg.(ORA 's-Gravendeel). -(Collectie van Meurs) op lidmatenlijsten van 29 april 1663 nog daar: Jacob Ariensz.; Op lijst van 6 mei 1668 Moockhoek maar 1 echtpaar, niet af; Op lijst van 1 augustus 1674 't zelfde huis Theuna Ariens huisvrouw van Leendert Jacobs. 1676; 14 juni; Jacob Arijens Besemer wonende op 's-Gravendeel getuige.(ONA Dordrecht 203 fo.300). -1676; 2 februari; Jacob Arijens Besemer, koopt huys in Renoyshoek voor ca 150 guldens. Kustingbrief van 100 gld.op dit huis.(ORA 's-Gravendeel 4,fo.306/307). 1676: Jacob Aryens Besemer verkoopt aan Joris Bastiaens een huis mette beterschap en erve, heyning,aard- en nagelvast staende ende gelegen in Renoyshoek. Dat hij Joris Bastiaens op hem neemt te betalen een custingbrief van hondert gulden capitaal op den 11-02-1676 voor Schout en Schepenen gehypothequeerd 25-02-1678. (ORA 's-Gravendeel 4 fo.332). 1656: 23 april; Jacob Ariens Besemer woonachtig in Bonaventura onder de Jurisdictie van Strijen moet pachtpenningen betalen aan de heer Justus van Lansbergen baljuw van Giessenburg. (ONA Dordrecht 49,fo.31). -Arijen Arijens Rijerkerk, bruiker van land in Nieuw-Bonaventura belent o.a.door de stee van Jacob Aryens Besemer. -Regtdach tegen Jacob Aryens Besemer door Pleun Hermens van Noort, Geerit Aerts en Arie Jacobs als erfgenamen en beschadigde borgen van Hermen Pleunen zaliger. (ORA 's-Gravendeel 77). -1672: 7 april, Pleun Hermens van Noort wonende te Ridderkerk en Gerrit Aerts van Ghijssen-Ouwkerk machtigen Abraham de Roo als bode van 's-Gravendeel het vonnis tegen Jacob Aryens Besemer uit te voeren.(ORA 's-Gravendeel 41). -1677: 11 maart; Buren-dingdach tegen Jacob Aryens Besemer, door secretaris de Roo.(ORA 's-Gravendeel 41). -1663: Jacob Aryens Besemer, kohier der verponding heeft een huis bezuiden de Langendam 1 gld.5 st. (GA Strijen). 1663: 15 oktober; Jacob Aryens Besemer brengt aan dat hij verkocht heeft aan zijn zoon Leendert Jacobs Besemer zijn huis, schuyr en erf voor 600 gulden te betalen in 3 termijnen.(Memoriaal verkochte goederen GA Strijen 1663). -Jacob Aryens Besemer verklaart in zijn huis 3 haertsteden te hebben in Nieuw-Bonaventura verponding in 1665, 1 gld. 5 st., in 1666 1 gld. extra haertstedegelt, heeft ook een oven, verponding in 1666 4 gld.(GA Strijen). -Jacob Aryens Besemer is koper en/of borg op veilingen, verkopen van vee,gewas, huisraad etc. te Strijen en 's-Gravendeel 1651-1676.(Collectie fiches Streekmuseum Heinenoord). Notulen van de vergadering d.d. 29 januari 1648, betreffende het stellen van een nieuwe wipwatermolen aan de Hordijk, ter vervanging van de oude poldermolen. Den XXVIIIen dito heeft tot Rotterdam omme de ingelanden aldaer wonende te laten teyckenen gevaceert Jacob Aryensse Besemer, Op ten XXXIXen january XVIcXLVIII soo sijn dijckgraef ende hoogheemraiden ten huyse van Bastiaen Willemse van den Nes gecompareert op het inbrengen van de voorscreven acte, d'selve gevisiteert ende bevonden van meestalle ingelanden geteyckent te sijn. Ende voorts geresolveert dat men metten eersten door den secretaris ofte clercg soude doen schrijven tegen saterdach daeraenvolgende, sijnde den Ien february 1648, eenige billjetten omme soo tot Dordrecht, Rotterdam, Delft, Schiedam, Roon, IJsselmonde Leckerkerck ende meer andere plaetsen te seynden. Ende eyntelick noch geresolveert dat men d'voorscreven molen soude besteeden op donderdach toecomende. En veertien dagen, wesende den XIIIen february 1648, binnen den dorpe Ridderkerck, ten huyse van Bastiaen Willemsse van den Nes. Vacerende personen: Aryen Aryensse Baes, dijckgraef, Cornelis Beljaert, Harmen Pleunen, Jacob Aryensse Besemer, hoogeheemraiden, Engelbrecht Cornelisse van der Grijp, clercq. [Toelichting: De oude poldermolen is vol gebreken en in zodanige toestand dat de ingelanden zich ergeren dat er geen actie wordt ondernomen. Vervolgens wordt er in 1647 een lijst opgesteld waarbij de ingelanden die het stuk ondertekenen verklaren bereid te zijn bij te dragen in de kosten voor nieuwbouw. Het polderbestuur blijkt gevoelig voor deze pressie en besluit tot nieuwbouw maar laat dat besluit wel ter bekrachtiging door de ingelanden ondertekenen. Uiteindelijk vindt in 1648 de aanbesteding voor in totaal 2.800 gulden plaats. Dankzij het resolutie-en bestekboek betreffende het stellen van deze nieuwe wipwatermolen aan de Hordijk, zijn we daarover vrij goed geinformeerd]. [Zie: Een schatkistje uit Reijerwaard. Palegrafische atlas van de archieven van polder Oud- en Nieuw-Reijerwaard, B.Wouda (redactie), Tekst. 42, Inv.nr.722 polderarchief Oud- en Nieuw-Reijerwaard]. | Besemer, Jacob Arien Eldersz (I14956)
|
| 26354 | Jacob van de Brussche, wedr. van Tanneke Bollaert huwt 2-5-1628 met Lysbeth Remeus, wedr. te Vlissingen. | Gezin: Jacob van de Brussche / Lysbeth Remeus (F1384785573)
|
| 26355 | Jacob woonde in 1813 als gehuwde te Renesse. Zijn beroep was toen kleermaker1. [bron: 1. lijst van inwoners tussen 20 en 60 jaar in 1813 in het arrondissement Zierikzee] | de Rijke, Jacob (I4426)
|
| 26356 | Jacoba van Lingen, geb Hasselt, 45 jaar, naaister, wonende De Wijk (Drenthe) https://allefriezen.nl/zoeken/deeds/53b41ffa-e455-e68e-322c-ace61e8cefdc | van Lingen, Jacoba (I17886)
|
| 26357 | Jacobus wordt als kind van Cornelis Schrijvers genoemd in de weesakte die na diens geboorte is opgemaakt. | Schrijvers, Jacobus Cornelisz (I26610)
|
| 26358 | Jan Gerritsz zal in zijn tijd niet een van de makkelijkste mensen geweest zijn. Hij had als molenaar vaak problemen met de pachters van de impost op het gemaal. Enige heethoofdigheid was hem ook niet vreemd. Op 22 mei 1651 kwam hij de herberg van Arijen Gerritsz in Sliedrecht binnen en vroeg om een stuiver tabak, die hij van de dochter van Arijen kreeg. Daarna wierp hij de stuiver op de toonbank en trok vervolgens een groot mes en zei tegen Arijen: "nu jij schelm zul je van mijn handen sterven". Daarop ontweek Arijen hem en liep naar buiten. Jan wilde hem achterna lopen, maar werd tegengehouden door de knechts van Arijen, Jan Hendricxsz Stoker en Johannes Raets. De laatste bedreigde Jan met een stuk hout, waarna Jan het hazenpad koos. Op 4 mei 1658 kocht Jan van Floris van Wijngaert, bleker buiten de stad Dordrecht, de helft van een geheel huis en een bijbehorend werfje voor 200 gld. Enig inzicht in de financiële positie van Jan krijgen we uit een andere akte. Op 16-1-1677 verklaarden hij en Teunis Cornelisz, beiden wonende in Sliedrecht, dat zij in het dorpskohier niet vermeld stonden als kapitalist of halve kapitalist. Verder verklaarde Jan dat hij en zijn huisvrouw omtrent 60 jaar oud waren. Teunis deelde mede een huisvrouw en 6 kleine kinderen te hebben. Beiden verklaarden eveneens geen dienstknecht of dienstmeid dan wel leerlingen in dienst te hebben. Waarschijnlijk was Teunis Cornelisz de schoonzoon van Jan. Omdat Jan niet vlot van betalen was, is hij in talrijke processtukken terug te vinden. Zo spande Gijsbert Dircksz, korenmolenaar in Hardinxveld, als nagelaten zoon en erfgenaam van Dirk Jansz, zijn vader, op 4-9-1679 een proces voor de Hoge en Lage Vierschaar van Zuid-Holland aan tegen Jan. De eis was dat Jan 400 gld. zou betalen als restant van de koop van een windkorenmolen in Oversliedrecht, volgend uit een schuldbrief van 15-12-1667. Op 6 december van hetzelfde jaar stelde zijn zoon Marinus zich borg voor de pacht van de wind, die Jan nog schuldig was aan Adriaan van Blijenborch, heer van Naaldwijk. De windrechten behoorde tot het bezit van de heer. | Meelhooft (alias Molenaar), Jan Gerritsz (I21206)
|
| 26359 | Jan Heijndricksz (Harry) de Beauvoir, onmondig 6 sept. 1529 collationeerde voor het klooster Maria Magdalena op 20 april 1534 een akte 2 dec.1539: Jan Heijndricksz de Beaunoir, apotheker (‘Jan Harry’), verklaart een jaarlijkse erflosrente van 12 carolus gulden schuldig te zijn aan meester Anthonis Herweijer, doctor in de medicijnen, verzekerd op zijn huis en erf in de Hoogstraat, geheten ‘Den Gulden Arent’, belend ten oosten de Hoogstraat, ten zuiden het huis genaamd ‘Sint Joris’, ten noorden Frans Nachtegael, bontwerker, en ten westen heer Claes Wiggers en Heijnrick de droogscheerder. Het perceel was afkomstig van Adriaen de Milde en al belast met 6 pond Hollands voor het Heilige Sacramentsgasthuis. 25 okt.1540: Jaepmijne Jansdr, weduwe Jorys Jacobsz, met Jan Heijndricxsz haar gekoren voogd in deze voornoemde Jan Heijnricxsz voor hem zelve, Jan Jorijsz [?] de Beaunoir, verklaren een jaarlijkse rente van 27 carolus gulden per jaar schuldig te zijn aan meester Jan Duijck, advocaat voor het Hof van Holland, en diens huisvrouw Anna van Steenhoven, verzekerd op haar huis en erf in het Westeinde, belend ten westen Jacop Jansz met de ‘Hierstege’, ten noorden en oosten meester Jan Duijck, en ten zuiden de heerstraat; nog op het huis en erf van Jan Heijndricxsz de Beaunoir (!) in de Hoogstraat, belend ten noorden het huis van Duijck Jacobsz, ten oosten de heerstraat, ten zuiden het huis genaamd ‘Sint Joris’, en ten westen Heijndrick de droogscheerder; nog op het huis en erf van Jan Jorisz in de Spuistraat, belend ten noorden de heerstraat, ten oosten Pieter in ‘Het Wolffken’, en ten zuiden en westen Kors van der Beeck. 23 nov.1540: Jacobmijne Jansdr, weduwe van Jorys Jacobsz, met Jan Jorisz, in deze haar gekoren voogd, voornoemde Jan Jorisz voor hem zelf, en Jan Heijndricxsz, apotheker, verklaren een eeuwige erfelijke rente van 12 carolus gulden per jaar schuldig te zijn aan Elisabeth de Jonge, dochter van mr Jan de Jonge, griffier in het Hof van Holland,verzekerd op: 1. het huis en erf van Jacobmijne Jansdr in het Westeinde, belend ten westen het huis van Jacob Jansz, lakenkoper, ten noorden en oosten Jan Duijck, als echtgenoot van de weduwe van Dirck Deym, en ten zuiden de heerstraat 2. het huis en erf van Jan Jorisz in de Spuistraat, belend ten westen en zuiden Kors Pietersz van der Beeck, ten noorden de heerstraat, en ten oosten Pieter in ’t Wolfken 3. het huis en erf van Jan Heijndricxsz in de Hoogstraat, belend ten westen Heijnrick de droogscheerder; ten noorden Frans Jansz Nachtegael, ten zuiden IJsbrant in St. Joris, en ten oosten de Heerstraat. 22 nov. 1540: belending van Jan Harry, apotheker van een huis in de Hoogstraat. 4 nov.1542: Dirck Jacobsz, bakker, transporteert aan Willem Pietersz twee rentebrieven. De tweede van 3 pond hollands ’s-jaars is verzekerd op het huis, erf en 3 morgen land van wijlen Adriaen Huijgezoen en nu in het bezit van Adriaen jonge Neel. Frans Jansz Nachtegael, Dircks schoonvader, verzekerde deze rente mede op zijn huis en erf in de Hoogstraat, belend zuid en west Jan Haroy de Beauvoir, apotheker, oost de heerstraat en noord Roellandt la Franche, pasteibakker. 1543: 2de kwartier ’s-Gravenhage: ‘Jan Harry een huijs bij estimacie up xxvi pond sjaers daerom hier als voeren’, 2 pond 12 sch. 9 maart 1545: Jan Harry de Beauvoir, substituut van de procureur-generaal van Holland, koopt een kamp land van 3 maden over de Overwecht in de jurisdictie van Amsterveen toebehoord hebbende wijlen Vastert Langeszoon en Jacob Cornelisssoen, voor 107 gld. 25 sept.1547: Abt en convent van het klooster Egmond beklagen zich over de handeling van Johannes Henrici de Beauvoor, substituut van den procureur-generaal van het Hof van Holland, die in strijd met de priviliges van het klooster, zekere Egidius van den Inden uit de vrijheid van het klooster naar de Voorpoort in Den Haag heet laten overbrengen. 1548/1549: Jehan de Beaunoir substituut van de procureur-generaal ontvangt 4 pond 17 schellingen 40 groot vlaams wegens een reis namens de procureur-generaal naar Bleiswijk en Rotterdam voor een zaak hangende voor het Hof van Holland tegen heer Jan Feijszoen en mr IJsbrant Soler als executeurs van het testament van heer Govert Dircxsz van Rijn, in zijn leven pastoor tot Bleiswijk. 1548/1549: Jehan de Beaunoir, substituut van de procureur-generaal, en Pieter IJsbrantsz, deurwaarder, ontvangen 11 pond, omdat zij op bevel van procureur-generaal gereisd zijn naar Hillegom en Noordwijk om aldaar zekere informatie op te doen en ‘gewelt’ bij Floris Mourisz duijnmeijer en Floris Pietersz schipbroeder gedaan, Gerrijt die Wilde, substituut van de ontvanger van Bergen, op zekere landen aldaar. De substituut krijgt voor 5 dagen 14 stuivers per dag, de deurwaarder voor 5 dagen 8 stuivers per dag en tenslotte de dienaar (niet met name genoemd) 5 dagen 6 stuivers. Daarnaast is er een vergoeding van wagenhuur van 3 pond.45 1560: Veenstraat oostzijde: Neeltgen Jorisdr, weduwe van Jan Harry. 1561: Veenstraat oostzijde: Neelgen Joris, weduwe van Jan Harij. 1561: Veenstraat: weduwe van Jan Harrij 18 pond. 22 maart 1561: Neeltgen Jorisdr, weduwe Jan Heijndricx de Beauvoir, transporteert aan Lenaert Jorisz, een huis en erf in de Veenstraat voor 350 kgld., belend zuid Lenaert Jorisz, in de Struijs, noord Huijch Jansz glazenmaker, oost St. Pieterstraatje, west de Veenstraat. http://home.hccnet.nl/k.fijma/hbstamreeks.html Een deurwaarder was belast met het uitbrengen van de dagvaarding en de tenuitvoerlegging van vonnissen op onroerende zaken. In bepaalde zaken kon hij ook onderzoeks-bevoegdheden uitoefenen en en dwangmaatregelen treffen. Als symbool van zijn belangrijk ambt was hij gewapend met de deurwaardersstaf. Het familiewapen van Jan de Beauvoir toont drie gouden klophamers op een rood veld. Jan de Beauvoir was van 1543 tot 1550 substituut-procureur-generaal bij het Hof van Holland. In die functie hield hij zich bezig met de ketterij bestrijding en hij maakte twintig dienstreizen om verdachte zaken te onderzoeken. Zijn reiskosten-vergoedingen zijn nog te raadplegen in het archief (zie: ”Met recht en rekenschap: de ambtenaren bij het Hof van Holland“ door Serge ter Braake). | de Beauvoir, Jan Hendricksz (I16918)
|
| 26360 | Jan Jansz. van Driel was heemraad (1408) van Gherit Hendricxz. Ambacht (later Adriaen Pieters Ambacht of Sandelingenambacht genoemd). In de reeks Zuid-Hollanse domeinrekeningen (1383-1386) van rentmeester Goedscalc van Brakel zijn de kopers van korentienden van Zwijndrecht met name genoemd. In drie rekeningen wordt wordt "jonge" Jan Jansz. van Driel vermeld als koper van korentienden in de Zwijndrechtse Waard (jaren 1383, 1384 en 1385). Op zaterdag 1 december 1403 "keerde Jan Jansz. de "pandinghe"(=gerechtelijke beslaglegging) die Jan Schoenhout op hem gelegd had. Jan Jansz. bestreed het beslag met een schepenbrief van rente" die hem die abt van Baerne opgedraghe(n) heefft". Met deze schepenbrief als bewijs, meende Jan Jansz. "dat hij geen wete en hadde als recht is" en dat het beslag onterecht was. Bijna vier maanden later, in maart van het jaar 1404, dingde Jan Jansz. "die havercoper" in dezelfde zaak opnieuw voor het gerecht van Dordrecht betreffende de panding op zijn erf in "Gherit Heijnricxz. ambochte". Jan Jansz. verklaarde dat hij niet tijdig had geweten van de panding en hij hoopte dat dit uit het "register" en de getuigenis van de heemraden van het ambacht zou blijken. Hij meende dat hij de panding mocht keren binnen de eerste veertien dagen. Daarop zei Jan Schoenhout dat zijn knecht namens hem Jan Jansz. "een wete gedaen hadde" (verwittigd had), en dat de vierschaar dit had bevestigd Hij meende daarom dat hij het beslag "met recht volghen soude". Na hoor den wederhoor, vonnisten de schepenen dat indien Jan Jansz. aannemelijk kon maken dat hij niet had geweten van de panding, hij alsnog binnen veertien dagen de panding mocht keren. Als bewijs hiervoor zou hij een verklaring onder ede moeten laten afleggen door de schout en twee of meer heemraden van Gherit Henricxz. ambacht. Het lijkt aannemelijk, dat Jan Jansz. haverkoper identiek was met Jan Jansz. van Driel. Interessant is daarmee ook een zaak uit april 1404, waarin de eigendomsberief bevestigd wordt die Jan Jansz. die havercoeper heeft op een half huis, gekocht van Roelant Jansz., gelegen bij de Hoppensteiger in Dordrecht. De koop van dit huis werd betwist door Jacob But, als man van de weduwe Filips van Beveren, die blijkbaar rechten kon doen gelden. Deze connectie met het geslacht Van Beveren doet denken aan de akte uit 1407, waarin de boedelscheiding plaats- vond tussen Jan (Willemsz.) van Beveren, als man van Margriete Meeus Meeusz.dochter, die eerder gehuwd was geweest met Jan Jansz., mogelijk identiek met (I) Jan Jansz. van Driel!. Voor het gerecht van Dordrecht diende op 11 augustus 1408 een zaak tussen Ghijsbrecht Florensz. op de ene zijde en Jan Jansz.(van Driel) op de andere zijde, betreffende 6 morgen 2 hont land in Gherit Henricxz. ambacht, gelegen in de hoeve genaamd "jonge Witte(n)hoeve". Het land werd bij vonnis toegewezen aan Ghijsbrecht Florisz., maar is in de volgende jaren blijkbaar toch in handen gekomen van Jan Jansz. van Driel of zijn zoon Heijken, blijkens een verklaring van drie jaar later. Op 13 november 1411 getuigden drie heemraden van Gherit Henricxz. ambacht op hun eed dat in de hoeve lands aldaar, die van "jonghe Witte(n)" was geweest, naar hun weten geen andere eigenaren waren dan Otte van Malburch, Willem Heiric Moelnaersz. en Heyken Jansz.van Dryele In november 1421 keerde Dirc van Driel een "pandinghe" vanwege Adriaen, zijn moeder. De schuld waaruit dit beslag voortkwam, werd door de eiseres, de vrouwe Van der Ham, kwijtgescholden in februari van het volgende jaar. Aangezien in februari 1422 sprake is van een schuld van de erfgenamen van Jan van Driel, vanwege landpacht verschenen op 22 februari 1421, moet Jan Jansz. van Driel in de eerste helft van het jaar 1421 zijn overleden. Jan Jansz. van Driel huwde met Adriana (Jaene) N.N., overleden na 16 augustus 1423, vermoedelijke te Sandelingenambacht. Op 13 augustus 1432 beloofde "Jane van Driel" voor schepenen van Dordrecht, dat zij de koeien die zij ontvangen had van de voogd van Lijsbeth, de (onmondige) dochter van Piet(er) Michielsz., zou teruggeven op de Dordtse bamismarkt (in okotber). Uit een enkele dagen later gepasseerde akte blijkt, dat deze voogd niemand minder was dan haar zoon Jan van Driel. Deze verklaarde op 16 augustus dat hij aan "Jaene Jans weduwe van Driel" verkocht had zeker haver "staende opt lant" en zekere "stije"(stee) met toebehoren en "beesten": 4 koeien, 4 kalveren en 15 ooien. Jan van Driel had dit goed van Lijsbeth Pieter Michielszdochter "gepant en(de) geeyghent (...) op Heye(n) van D(r)yel sine broeder". In dezelfde akte van 16 augustus 1423 verklaarde Jaene dat zij Jan van Dryel verkocht had 3 morgen lande in Schildmans- kinderenambacht "gehe(te)n die poerkamp". (Zie: Drie verwante geslachten Van Driel [Zuid-Hollandse eilanden, ca.1350-1650] door C.Sigmond en K.J.Slijkerman). | van Driel, Jan Jansz (I21882)
|
| 26361 | Jan Jansz. van Rijswijk, ook genoemd de kleine of jonge Jan | van Rijswijk, Jan (I16040)
|
| 26362 | Jan Janszn. van Rijswijck, was gehuwd met Engeltje Jansdr., weduwe van ene Jan N. Vermoedelijk was Jan van Rijswijck al eerder gehuwd met NN. De vraag uit welke huwelijken de kinderen zijn voortgekomen blijft nog onbeantwoord. Kinderen: volgorde onbekend | Gezin: Jan Jansz van Rijswijck / Engeltje Jansdr (F1349791290)
|
| 26363 | Jan leende van zijn schoonvader 1000 gld. a 3,5 %, op 8-5-1737, eenjaar daarvoor had hij ook al 1000 gld. a 3% geleend van Leendert Arentsz. Zuijderent; op 1-9-1744 was hij arbeider en onvermogend en één van de weerbare mannen van Maasland. | Sonnevelt (de Oude), Jan Jansz (I18596)
|
| 26364 | Jan Leulefs (gestorven den 16 mart. 1702) https://www.allegroningers.nl/zoeken-op-naam/deeds/c0782efb-482a-43b3-a1c1-47db4eeedf1f | Luelefs, Jan (I10820)
|
| 26365 | Jan Pietersz Dou(w) schrijft over haar: 'Mijn vader hadde oock een susterling Emmetgen, die mede een soon heeft achtergelaten, een thimmerman getrout an Bouckhorst'. | Arentsdr, Emmetgen (I17741)
|
| 26366 | Jan Roeloffs de oude, leefde nog te Grave in 1529, zijn weduwe komt voor in een acte aldaar van 10 Febr. 1533 als Fuls Rolefs wed° Jan Rolefs als zij, geassisteerd door haar zoon Derick Rolefs, een huis overdraagt aan haar zoon Henrick Rolofs, kerkmeester | Gezin: Jan Roeloffs (de oude) / Fuls Rolefs (F1439541872)
|
| 26367 | Jan Scipio de Kanter (O.O.N.), geb. Lais (Benkoelen) 16 sept. 1882, resident van Bantam, f intern.kamp Tjimahi (Preanger Reg.) 7 april 1944, tr. Tegal 3 juli 1926 Eveline Mignon Couwenberg, geb. Oengaran (Ambarawa, Semarang) 6 juli 1902, dr. van François Joseph en Maria Ris, zij hertr. (bij volmacht) ‘s-Gravenhage 16 aug. 1948 Wilhelm Rudin, wedr. van Maria Louisa Wild. [‘s-Gravenhage] | Gezin: Jan Scipio de Kanter / Eveline Mignon Couwenberg (F891)
|
| 26368 | Jan van Driel Jansz.; geboren naar schatting rond 1390, overleden tussen 15 februari 1447 en 1450. Deze Jan van Driel is de stamvader van het geslacht Van Driel, zoals behandeld door Wouter van Goudhoeven en Mathijs Balen. Van Goudhoeven medlt: "Jan van Driel, leefde in Swindrecht, landpoorter Ao 1446". Als zoons noemt hij Pieter Jansz. van Driel en Cornelis van Driel. Ook Balen vermeldt dat Jan van Driel leefde in 1446 en dat zijn zoons waren Pieter en Kornelis van Driel Janszonen. Van Goudhoeven vermeldt nog als losse aantekening in zijn handschrift: "Anno 1421 leefden in Swindrecht als lantpoorters van Dordrecht Heijke, Pieter, Dierc en Jan van Driel Janszonen. Jan Jansz. van Driel beheerde vanaf 22 februari 1422 land onder Zwijndrecht, dat wellicht identiek was met het door zijn vader gehuurde land waarvan de laatste verschijningsdatum [de datum dat de pachtperiode afliep] precies een jaar eerder op 22 februari 1421 was geweest. Vanwege het grotendeels stilliggen van de landbouw in de wintermaanden was "Sint Pietersdag in zille" (22 februari) echter zeer gebruikelijk als verschijningsdatum, zodat hieraan niet al te vergaande conclusies kunnen worden verbonden. Opnieuw blijkt, dat de oudste leden van het geslacht Van Driel actief waren in de verbouw van en/of handel in haver. Evenals zijn vader "Jan Jansz. die havercoper" (1404) en zijn broer Dirc Jansz. van Driel (1419) werd Jan Jansz. van Driel vermeld in verband met dit gewas. Op 16 augustus 1423 verklaarde Jan van Driel namelijk voor schepenen van Dordrecht dat hij verkocht had aan (zijn moeder) "Jaene Jans weduwe van Driel" zekere haver "staende opt lant" en zekere "stije" (stee) met toebehoren en vee. Hij had dit goed als voogd van Lijsbeth Pieter Michielsdochter "gepant en(de) geeyghent(...) op Heye(n) van D(r)yel sine broeder". De relatie met deze Lijsbeth, dochter van Pieter Michielsz., is niet duidelijk: wellicht was zij een dochter van een nog onbekende zuster van Jan van Driel. In dezelfde akte van 16 augustus 1423 verklaarde Jaene Jans van Driel weduwe "dat si Jan van Dryel vorsz.vercoft heeft III marge(n) lants geleghe(n) in Scilmans kinde(ren) ambocht gehe(te)n die poerkamp". Het perceel "poerkamp" om Schildmanskinderenambacht is in latere bronnen niet aangetroffen. Het is duidelijk, dat Jan van Driel omstreeks deze tijd bezig was zijn goed uit te breiden, want in 1424 was sprake van de "worf" die hij gekocht had van Pieter Dircxz. Deze laatste verklaarde dat hij de "worf" zou ontruimen voor kerstavond 1425; indien dit dan nog niet zou zijn gebeurd, zou Jan van Dryel alles dat hij op de werf zou vinden mogen behouden "voer siin eyghen guet". Overigens is het aantrekkelijk bij deze "werf" te denken aan de "Hennipwerf", die Anthonis Cornelisz. van Driel, de achterkleinzoon van Jan van Driel bijna anderhalve eeuw later nog in eigendam hand in Sandelingenambacht!. In 1431 werd voor het gerecht van Dordrecht een geschil behandeld tussen Dirc van den Poel en Daniel van Cralinghen, "roerde van sulcke pandinghe als Dirc vanden Poel hadde gepant aen Jan van Driele en Jan Heynensoens guede ende beesten". Beiden hand geld te vorderen van Jan van Driel en Jan Heynensoen, maar omdat de "wilkoer" van Dirc van den Poel ouder was en omdat hij de panding van Daniel van Cralingen op tijd had "gekeerd", werd aan de schuldvordering van Dirc vanden Poel voorrang gegeven. Jan van Dryele en Jan Heynrixz. hadden Dirc vanden Poel betaald en dit bedrag zou in korting komen op de schepenbrief die Daniel van Cralingen op hen had. Jan van Driel was kennelijk door zakelijke banden verbonden met Jan Heynensoon, die blijkens een akte uit 1449 gehuwd was met Aeltgen Cleijsdochter, die vermoedelijk behoorde tot de familie Van Driel. In 1437 was sprake van een vete tussen Jan Heynnenz. en Jan van Driel, waarover inmiddels een vrede was gesloten Een tweetal personen, genaams Willem Jan Meusz. en Pieter Jan Heynensz.hadden "so en(en) daet" gesteld tegen Aderiaen Cleysz.(van Driel), dat zij de vrede gebroken hadden, en werden voor vijftien jaar verbannen. Enige jaren later was opnieuw sprake van een schuld, want op 19 februari 1439 (=1440) bestreed Jan van Driel Jansz. voor schepenen van Dordrecht een beslag dat Lijsbeth weduwe van Claes Hoeyem hem wegens verscjuldigde landhuur had laten opleggen. Jan van Driel toonde de schepenen een kwitantie, waaruit bleek dat hij het verschuldigde bedrag had overhandigd aan Jacob van Voirde, de echtgenoot van Lijsbeth. Uit een verkoop, die enkele maanden eerder in hetzelfde Aktenboek was opgetekend, kan afgeleid worden dat het land waar deze schuld betrekking op had, gelegen zal hebben in het volgerland van Gerrit Hendrickz. Ambacht. Jan van Driel was nog niet van Lijsbeth af, want in december van het volgende jaar moest hij zich opnieuw voor schepenen van Dordrecht tegen een door haar opgelegde "panding" verweren. Vermoedelijk kon Jan van Driel verweten worden dat hij zijn schulden te lang liet oplopen, want uit het feit dat hij het verschuldigde bedrag aan de schepenen in beheer gaf, blijkt dat hij Lijsbeth het geld inderdaad schuldig was De schulden van Jan van Driel waren in 1447 dermate hoog opgelopen, dat hij gevangen genomen was "met een vangbrieve": een gijzeling die diende om hem te dwingen zijn schulden te voldoen. Om hun vader uit gevangenschap te bevrijden, beloofden zijn zoons Jan, Cornelis en Dirck van Driel gezamenlijk een zekere som van 28.1/2 gulden te zullen voldoen, die hun vader Jan van Driel schuldig was aan Lijsbette Gherijt Ockerssoens weduwe en haar kinderen. Overigens was deze Lijsbeth Gherijt Ockerssoens weduwe niet dezelfde als de eerder genoemde Lijsbeth Claes Hoeyen, die reeds voor 1445 "afflivich" was geworden. Jan van Driel, die in 1444 werd vermeld als heemraad van Hendrik Ido Ambacht, stond in 1445 en 1446 bovenaan de lijst van landpoorters van Dordrecht, gevestigd in de Zwijndrechtse Waard. In de lijst van 1450 stond op deze plaats "Machtelt Jan van Driels weduwe mit hae(re)n inheems(e) kind(er)en". Jan van Driel huwde Machtelt N.N., overleden na 1450 vermoedelijk in Sandelingenambacht of Hendrik Ido Ambacht. (Zie: Drie verwante geslachten Van Driel [Zuid-Hollandse eilanden, ca.1350-1650] door C.Sigmond en K.J.Slijkerman. | van Driel, Jan Jansz (I21888)
|
| 26369 | Jan van Driel, geboren naar schatting rond 1325, over leden na 1382 (wellicht 1385) in de Zwijndrechtse Waard. Jan van Driel wordt in 1382 vermeld in de domeinrekening van Zuid-Holland, wegens een levering aan de stad Dordrecht, vermoedelijk van rijshout. In 1385 kocht Jan van Driel een korentiende in het land van Zwijndrecht, in "Aper ende Jans van Leyden ghemeijn Volgherlant". In de domeinrekeningen van Zuid-Holland wordt rond de jaren 1383-1385 nadrukkelijk een jonge Jan (Jansz.) van Driel genoemd. Deze aanduiding zou kunnen betekenen, dat de vader van de jonge Jan Jansz.van Driel een zelfde patroniem heeft gehad: (oude Jan Jansz. van Driel. Jan van Driel zou identiek kunnen zijn met Johan van Driel, die in 1384 was toegewezen als voogd aan Beatrijs van der Dussen, vrouwe van Ammerzoden, in de Bommelerwaard: "Johan van Drile hoeren gekoeren momber, die hoer mit ordeel en mit rechte gegeven ward". Wellicht was dit dezelfde als Jan van Driel, poorter van Utrecht, wiens dode lichaam in 1394 in plechtige processie werd vervoerd naar zijn laatste rustplaats in de Sinte Marie aldaar. Hij huwde mogelijk 1e (voor ca 1355): N.N. Hij huwde mogelijk 2e (voor ca 1385): N.N. (Margriete Meeus Meeuszsdochter?). In het klepboek van Dordrecht is een veroordeling uit het jaar 1394 opgetekend, waarbij een zekere Aecht van Driel voor drie jaren verbannen werd. De reden van verbanning wordt niet vermeld. Een lichter vergrijp was gepleegd door Margriete van Driel, die samen met drie andere vrouwen in 1412 werd beschuldigd "van quaed werck, van quaetsprecken ende onzedeliken leven". Zij werden veroordeeld tot het leveren van elk 1000 stenen voor de bouw van de kerk, een in die tijd niet ongebruikelijke boete, die ten goede kwam aan de gehele stedelijke gemeenschap. Vermoedelijk behoorden zowel Aechte als Margriete van Driel tot de verwanten van Jan van Driel: het is niet uitgesloten dat een van beiden diens echtgenote of weduwe was. In dat verband is een Dordtse akte uit het jaar 1407 interessant, waarin een boedelscheiding plaatsvond tussen Jan (Willemsz.) van Beveren, als man van Margriete Meeus Meeusdochter, en een zekere Heinken Jansz. Uit de akte blijkt dat Heinken Jansz. een zoon was van Margriete Meeus Meeuszdochter uit haar eerste huwelijk met Jan Jansz! Het is niet ondenkbaar dat Margriete Meeus Meeus, identiek was met de in 1412 veroordeelde Margriete van Driel. Heinken Jansz. zou in dat geval een halfbroer van de hieronder genoemde andere kinderen kinnen zijn: aangezien deze oudere broers Van Driel niet in de boedelscheiding uit 1407 worden genoemd zullen zij in ieder geval een aandere moeder dan Margriete hebben gehad. | van Driel, Jan (I21890)
|
| 26370 | Jan Willem Adolphe, geb. Cheribon 1 juli 1866, ged. Indramajoe 25 okt. 1867, zn. van Jan Willem August Guldenaar en de inlandse vrouw Alima, ongehuwd. | Guldenaar, Jan Willem Adolf (I24469)
|
| 26371 | Jannetje kocht op 9-5-1767 de boerderij 'Den Engelschen Boomgaard' met 27 morgen en 150 roeden land voor 8311 gld. 5 st. contant bij publieke veiling van de erfgenamen van Pieter Melisz. Rodenrijs. Zij is dan al bijna 13 jaar weduwe. | van der Spijk, Jannetje Chielsdr (I18715)
|
| 26372 | Japanse Interneringskaarten, arch 2.10.50.03, inv 435, scan 888, NA https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/archief/2.10.50.03/invnr/435/file/NL-HaNA_2.10.50.03_435_1775s | Kerseboom, August Gustaaf (I33968)
|
| 26373 | Japara Afdelingen Kedoes en Japara: districten Koedoes en Majang (26-04-1897) Afdeling Ojoewana: district Mergotoehoe Pasoeroean Afdeling Pasoeroean: districten Ngempit en Kraton (28-07-1896) | Preijer, Louis Frederik Carel (I4237)
|
| 26374 | Jasper en zijn broer Hendrik zijn door de Hertog van Alva veroordeeld tot verbanning en confiscatie van goederen wegens hun aandeel in de vernielingen die tijdens de beeldenstorm van 1566 zijn aangericht de kloosters van St. Clara en St. Catharina te Den Briel. | de Beauvoir, Hendrik (I17045)
|
| 26375 | Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. | van Lingen, Bernard Benjamin (I29252)
|
| 26376 | Java Bode 13-12-1950 https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010865498:mpeg21:a0113 | Gezin: Louis Arent Florimont Reith / Mercedes Marjorie van Lingen (F1711569788)
|
| 26377 | Java Bode 14-03-1952 https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010865573:mpeg21:a0066 | Gezin: Karel Anton van Lingen / Maria Theresia Jeanette Holst (F1665)
|
| 26378 | Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. | Duijkers, Regina Louisa Gilbertina (I23641)
|
| 26379 | Java-bode 23-04-1896 https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010496377:mpeg21:a0055 | Migel, Anna Henriëtte (I4171)
|
| 26380 | Java-bode 26-12-1855 https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010483305:mpeg21:a0015 | Gezin: Frans Kepel / Helena (Anna) Elisabeth Micola (F1308739366)
|
| 26381 | javaanse christenvrouw | Paulina, Anna (I25430)
|
| 26382 | Javasche courant (Samarang) 30-04-1842 BATAVIA Vertrokken April 28 - naar Soerabaija, Ned. bark Talsum, mejufvrouwen A. Migel en Seidelmeijer. Javasche courant (Samarang) 11-05-1842 aangekomen bark Talsum 28sten April mejuffrouwen A. Miegel en Seidelmeijer Javasche courant (Samarang) 18-05-1842 SOERABAIJA Vertrokken Mei 7 - Ned. bark Talsum, mejufvrouwen A. Mugel en Seidelmeijer. Java-bode: nieuws, handels- en advertentieblad voor Nederlandsch-Indië 28-10-1854 VERTROKKEN PASSAGIERS. Met het N.I. stooms. Koningin der Nederlanden: Mevr. A.H. Migel en 2 kinderen. | Migel, Anna Henriëtte (I4171)
|
| 26383 | Javasche Courant 10-01-1838 https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010503922:mpeg21:a0013 | Gezin: Hermanus Laurentius Jansen / Geertruida Carolina Elizabeth Guldenaar (F1728480611)
|
| 26384 | jd van Roosendaal | Gezin: Jacob Jacobs Spaan / Cornelia Aerts Luijcks (F1395653157)
|
| 26385 | Jean Antoine Rattie, testament 29-011-1742, Not. archief, toeg 0504, inv. 2031, akte 232, RA Leiden https://www.erfgoedleiden.nl/collecties/archieven/archievenoverzicht/scans/NL-LdnRAL-0506/167.1.10/start/1060/limit/10/highlight/10 | Rattié, Jan Anthoine (I13528)
|
| 26386 | Jelle Offringa; http://home.planet.nl/~jelleoffringa/sytie/pafg09.htm#5530 | Mulder, Bruin (I19820)
|
| 26387 | Jillis Cornelisz woonde op Steeckershil (Stekelhil) onder Bleskensgraaf. Cornelis Adriaensz won. Bleskensgraaf, ter eenre, en Adriaen Gielisz, als oom en bloedvoogd, en schout en heemraden., aangaande de twee nagelaten weeskinderen van Cornelis Adriaensz voorn. verwekt aan Sijchen Gielisdr., zijn overl. hvr., met namen Gillis Cornelisz, ca. 14 jaar, en Trijntgen Cornelisdr, ca 5 jaar, ter andere zijde. De vader houdt de boedel. Moeders versterf bij 18 jaar of huw. 750 gld. Jillis is een voorvader van Joan Bos via zijn dochter Sijgje en een voorvader van Klaas Vermaas via zijn zoon Cornelis Jillisse de Oude. Hij was Diaken. Hij was Armmeester http://madmonarchs.guusbeltman.nl/bos.htm zoon van Cornelis Ariensz en Sijchen Gillesse, IN DATABASE MAAR ONTKOPPELD | Cornelisse, Jillis (I1132)
|
| 26388 | Joan Bos - www.xs4all.nl/~kvenjb/bos.htm | Cornelisse, Jillis (I1132)
|
| 26389 | Joan Bos - www.xs4all.nl/~kvenjb/bos.htm | Cornelisse, Jillis (I1132)
|
| 26390 | Johanna (ook Hesick) Jansdr. van Rijswijck, geb. ca. 1520/1540 tr. met Aert Jan Adriaensz., overl. voor 2-4-1576 | van Rijswijck, Johanna Jansz (I16006)
|
| 26391 | Johannes de Haselhoff, soldat unter cap. Zuidenga in der Langenackerplaetz (Nieuweschans) | Haselhoff, Jan (I13256)
|
| 26392 | Johannes Douw, landmeter en notaris, oom paternel van Philip Douw, 21 jaar, enige minderjarige zoon van zaliger Philips Douw, doet in 1669 een verzoek om veniam xtutis om op deze wijze de negotie van zijn vader te continueren | Douw, Philip Philipsz (I12986)
|
| 26393 | Johannes Henckel , jongeman , van Berglandt, wonend: Oppert Trijntjen Cornelis wed. Jan Grave, wonend: Keijserstraat https://hdl.handle.net/21.12133/46FBDA5930B749758B83647C1AF46721 huwelijkse voorwaarden Rotterdam, ONA, Not. Cornelis Maes, inv 655, akte 214_ 445, Stadsarchief Rotterdam https://hdl.handle.net/21.12133/64FDD65C24A0433F98D4B47E35B41975 | Gezin: Johannes Henckel / Catharina Cornelis Reijns (F1439640239)
|
| 26394 | Johannes Lardinoys, jm van Heidelberg | Gezin: Johannes Lardinoys / Anna Jandr (F1364201805)
|
| 26395 | Johannes Nicolaas van Dalen worden genoemd als echtgenoot van Johanna Josina vd Water in de akte (28-09-1782) betreffende de erfenis van Johanna van Hoeven, de moeder van Johanna Josina. | Gezin: Johannes Nicolaas van Dalen / Johanna Josina van de Water (F1416667121)
|
| 26396 | jong assistent 1761, assistent 1766, boekhouder 1766, | Senn van Basel, Jan Hendrik (I14498)
|
| 26397 | jong gestorven | Cranssen, Alegonda (I1282)
|
| 26398 | jong gestorven (De Navorscher 1950, W. Wijnaendts van Resandt) | Cranssen, Willem (I1300)
|
| 26399 | Jong gestorven (Genealogie van de Putte, Nederland's Patriciaat 1974) | Fransen van de Putte, Digna Johanna (I20499)
|
| 26400 | jong overleden https://www.familysearch.org/ark:/61903/3:1:3QS7-89WL-28G4?i=452&cc=2037901 | Jacobs, Knelliske (I14762)
|