| Aantekeningen |
- Blijkens een akte van 20 november 1629 was Lenert Adriaensz. Andijck, schout en secretaris van Pendrecht, ca 54 jaar oud. Hij verklaarde toen op verzoek van de koopman Cornelis Jansz. de Raidt dat hij in juni 1627 op de Charloise Dijck bij de woning van Lou Crijnen voornoemde de Raidt tegenkwam, die verklaarde uit Rhoon te komen en eergisteren in Poortugaal was geweest om gifte te ontvangen van een huis, erf en boomgaardje, gekocht van Arien Wouters Reusel. De schout was echter niet thuis, zodat hij de gift niet kon ontvangen en de betaling niet kon verrichten. (GAR,ona inv.nr.148 fol.364,akte 235; OV 556 februari 2004).
Bij akte van 9 mei 1630 werd Lenert Andijck, schout en secretaris van Pendrecht door Margriet, Catrijn, Geertruyt en Maria Joosten van Soelen, dochters van hun vader (Joost van Soelen) en houder van een rentebrief van 7 juli 1625, ten laste van Arien Woutersz.Reuzel, gemachtigd om deze brief voor het gerecht van Poortugaal aan Willem Henricxsz. Hogewerf over te dragen. Op 24 september 1630 verklaarde de te Ridderkerk woonachtige Wouter Elders aan de vier ongehuwde dochters van Joost van Soelen 300 gld. schuldig te zijn. Als zijn borg stelde zich Leendert Andijck, schout van Pendrecht.(GAR, ona inv.nr.148, fol.529, akte 357. en GAR, ona inv.nr.134, fol.558, akte 39).[Ons Voorgeslacht no.556 februari 2004],
|